Glavimans

Binnenkort naast de autobiografie van JHvM ook de tekst van Glavimans op deze site!


De rechten (copyrights) van de monografie van J.H. van Mastenbroek (deels geschreven door Glavimans) liggen bij de erven.
Er is toestemming om Glavimans integraal weer te geven op de website.
Omdat het Archief zonder winstbejag werkt en liefhebbers van Van Mastenbroek maximaal wil voorzien van informatie, is besloten de relevante informatie uit het boek weer te geven. Het gaat daarbij om de teksten van Van Mastenbroek en Glavimans. De overige informatie (foto's, tentoonstellingen etc.) zal in een andere en verbeterde vorm op de site worden weergegeven.

Onderstaande tekst is overgenomen uit:
J.H. van Mastenbroek vertelt zijn herinneringen ter gelegenheid van zijn zeventigsten verjaardag. Aangevuld met een beschouwing over zijn werk door A.Glavimans met 153 reproductie's, uitgegeven door drukkerij Ad. Donker te Rotterdam en Antwerpen, in 1946


1. WOORD VOORAF
Nu ik in mijn zeventigste jaar ben gekomen en de gebeurtenissen van al die jaren gestaag aan mijn oog voorbijvlieden, voel ik mij gedrongen deze nog eens te doorleven en ze op te schrijven, dankbaar als ik ben, dat het mij gegeven is geweest in goede gezondheid al die jaren den groei en bloei van mijn geliefd Rotterdam met stugge werkkracht en onverflauwd enthousiasme mede gemaakt te hebben.
Een ding in de wereld is voor iedereen bereikbaar, het natuurgenot. Leert de natuur kennen en liefhebben en ge hebt een vriendin voor het leven.

J. H. VAN MASTENBROEK



"The bird of Time has but a little way to flutter - and the bird is on the wing."
Omar Khayam.


2. AUTOBIOGRAFIE

Jeugd in Rotterdam
Volgens zeggen - ik was er zelf wèl bij maar ik weet het niet meer - ben ik 4 december 1875 te Rotterdam geboren. Op den Schiedamschen dijk nr. 139, waar mijn vader een winkel had, een "schilderijenwinkel" zooals men dat toen noemde, want het woord "kunsthandel" gebruikte men nog niet. Toen ik drie jaar was, werd ik op de Fröbelschool van juffrouw Roosenraad gedaan, welke toentertijd was gevestigd in het Stuiverslaantje onder aan de hol van den Westzeedijk. Ik herinner me deze statige juffrouw met het gouden potlood aan een zwart koordje, die ons de eerste beginselen van het A.B.C. en vele fraaie versjes leerde, nog heel goed. Matjes vlechten en andere takken van hetgeen men naderhand wel eens al te vlug "kunstnijverheid” noemde, werden daar ook druk beoefend en bij verjaardagen van vader of moeder maakten we flesschenbakjes en dergelijke kunstproducten, welke als bewijs van vooruitgang mee naar huis werden gedragen. Eén van deze bakjes heb ik altijd bewaard; ook het kopje met mijn naam in goud erop geschilderd, waaruit wij op school melk dronken, is nog in mijn bezit.

Toen ik zes jaar was geworden ging ik naar het Instituut Ringlever in de Van Brakelstraat, waar ik tot mijn veertiende jaar bleef. Aan die school heb ik de prettigste herinneringen behouden. Medeleerlingen van me waren o.a. Dirk Schäfer, later pianist, Leyenaar, die later photograaf is geworden en Jules Schürmann, naderhand zanger en dichter. Willem Schürmann was niet bij ons op school; toch ontmoetten wij elkaar veel, naderhand kwam hij wel bij mij op het Heemraadsplein. Dirk Schäfer, die evenals ik veel plezier in teekenen had, woonde toen bij zijn grootvader in de Aert van Nesstraat, waar wij des Zaterdagsmiddags teekenden; de andere dagen moest hij muziek studeeren.


Eerste belangstelling voor de Rotterdamse haven
Des Zondags had ik de gewoonte, gewapend met mijn schetsboek, naar Hillesluis te wandelen en bij de gasfabriek aan het einde van de Rosestraat zat ik de beurtschepen af te wachten, die al zeilende langs Kralingscheveer naar Rotterdam voeren om des Maandags of Dinsdags met hunne goederen aan de markt te zijn. Veel van die scheepjes heb ik daar geteekend en ik weet nog heel goed, dat ik een korte broek droeg, licht blauwe kousen en een witte pet met gelakte klep. Vele malen had ik teer aan die mooie kousen daar ik gewoon was op een balk of op een ton te gaan zitten. Mijn goeie moeder vond dat allemaal minder prettig want het schoonmaken vereischte veel zorg en moeite.


Ontwikkeling als (decoratie)schilder
Ondertusschen groeide mijn belangstelling voor kunst. Een broer van me was architect en een andere werkte te Brussel als decoratieschilder. De decoratieve werkstukken, welke hij placht mede te brengen, schilderde ik trouw na en ik heb in dien tijd zelf ook eenige stillevens gemaakt. Toen ik op mijn veertiende jaar de school had doorloopen, wilde ik graag gaan schilderen maar mijn vader vond het beter, dat ik een vak leerde, om zooals hij zeide, wanneer de kunst tegenliep, toch in staat te zijn, mijn brood te verdienen. In mijn vrijen tijd mocht ik dan buiten studeeren zooveel als ik wilde. Dat laatste heb ik dan ook met veel enthousiasme gedaan.

Nadat ik met de groote vacantie de school vaarwel zeide, werd ik in September in de leer gedaan bij den heer Van Andel, Huisschilder aan de Nieuwehaven. Ik werkte daar op den winkel, leerde stopverf en plamuur maken, maat nemen van ruiten en alle andere werkzaamheden, welke in zoo'n bedrijf voorkomen. Eenige avonden per week had ik les in hout- en marmerschilderen van den heer H. Oliemans, die bij Van Andel de "artiest" was. Ik weet nog, hoe ik 's avonds over de Veemarkt ging, toen ook al een groot open plein zooals nu (0. woonde dicht in de buurt van het abattoir) en hoe ik tijdens mijn wandeling de wolkenformaties, de maanlichten en de sterrehemels bewonderde en hoe ik daarvan genoot. IJverig legde ik mij ook toe op het letterschilderen, ruiten inzetten, glassnijden, vergulden enzoovoorts, tot ik in staat was, kleine karweitjes tezamen met de andere knechts op te knappen. Tot belooning kreeg ik het eerste jaar, dat ik aan den winkel was, een rijksdaalder en een kaartje voor den Grooten Schouwburg! Het tweede jaar kreeg ik een diamant om ruiten te snijden en ik voelde dat als een kostelijke belooning voor betoonden ijver, vlijt én vakkennis. Ik moest 's ochtends om zes uur op den winkel zijn maar als het weer geschikt was vertrok ik alom vier of vijf uur van huis teneinde onderweg langs de havens eerst nog schetsen te kunnen maken; Zoo gebruikte ik ook vrijwel iederen Zondag om buiten te teekenen: het water en de schepen trokken mij altijd geweldig aan, zoodat ik in Rotterdam nooit ver naar onderwerpen behoefde te zoeken. Vaak kwamen de menschen mijn vader waarschuwen, dat ik - zooals altijd - op den wallekant zat met mijn beenen boven het water. Wanneer men zoo zat en teekende vormde zich al spóedig een groepje menschen rondom, dat echter nooit stoorde, wel vaak beschermde tegen al te groote publieke belangstelling. Soms hoorde ik opmerkingen als: "Jô, sta niet soo te dauwe, tie jonge kan ommers niks zien." Zoo waren er altijd wel goede geesten, die over me waakten. Vaak ving ik ook wel gesprekken tusschen de omstanders op: "Zeg, zou je dat van 'm kenne koope?" Waarop dan het, antwoord: " Welnée, daar worre ommers van die schilderije van gemaakt, die je op een tentoonstelling ken zien." Of iemand vroeg: "Meester, krijg ik zoo'n plaatje?" Soms stond ik bij een brug een schets te maken van de bedrijvigheid in de haven en er kwamen dan wel eens zoo veel omstanders dat het een volkomen opstopping werd. Dan deed ik m'n schetsboek maar dicht, keek eens naar de lucht (iedereen ging dan naar de lucht kijken en niemand zag iets bijzonders) stopte een pijpje, liep eens heen en weer en als de menigte dan weer wat verspreid was, kon ik weer rustig verder gaan. Dat zijn zoo van die belevenissen, die feitelijk iedere schilder, die buiten werkt, wel heeft meegemaakt. Ik heb altijd geschetst, wanneer ik op straat liep en door iets werd getroffen, vervuld als ik was van al het schoons, dat er te beleven viel, zóó vervuld, dat ik terdege uit moest kijken dikwijls om niet overreden te worden. Om ongestoord op een druk punt te kunnen schetsen huurde ik wel eens een rijtuig; dat ging dan goed tot men den teekenaar in de gaten kreeg en dan moest ik den koetsier een eindje rond laten rijden om weer op hetzelfde punt terug te keeren en er te blijven staan tot de schets klaar was. Zoo deed ik ook op de rivier door met het veerbootje heen en weer te varen tot ik een schets klaar had en weer verder kon zwerven langs de havens. In de Leuvehaven had ik ook een roeibootje liggen, waarin we dikwijls met wel twaalf jongens uit de buurt gingen varen op de Maas naar het Prinsenhoofd om er te zwemmen. Het Prinsenhoofd was toen een punt, begroeid met boompjes; er was een kleine werf en ook de "Deutscher Turn- und Ruderverein" had er zijn bootenhuis. Hoeveel tochten heb ik in mijn vrijen tijd al niet gemaakt met dat roeibootje, door alle havens en over de rivier en alles schetsende: voorstevens en achterkanten van beurtschepen, opgeheschen of halfgezakte zeilen, vele schoeners en brikken en andere zeilschepen, die met hout geladen in de Leuvehaven lagen, later ook stoomschepen, die de zeilvaarders verdrongen. Ze kwamen van en voeren naar Bordeaux, Harwich, Hâvre en zooveel andere bekende havensteden.


Kunstacademie
Dat was zomers en des Winters bezocht ik den avondcursus van de Academie, eerst in de afdeeling B, waar ik het tot de vierde klas bracht. Toen ik me echter bewust was dat ik werkelijk schilder wilde worden, ging ik over naar de afdeeling A voor handteekenen enz. en daar teekende ik vlijtig ooren, neuzen, monden en andere lichaamsdeelen in de klassen, waar Jan de Jong en Doeleman les gaven (de drie gulden voor den cursus moest ik voor mijn vader eerst zelf verdienen). Van eerstgenoemden kunstenaar bewonderden wij jongeren indertijd de knappe en phantastische illustraties, welke hij had gemaakt bij de verhalen van Oltmans, zooals voor De Schaapherder, Het Slot Loevestein, e.a. Jan de Jong en Doeleman vroegen mij of de aquarellen, die op de Kunstbeschouwingen van de Academie tentoongesteld waren, van mijn vader waren; zij wilden pas gelooven dat zij van mij waren, toen ik hun mijn schetsen had laten zien. Later kreeg ik les van Ezerman en van Nachtweh, die zulke fijne stillevens heeft geschilderd, totdat ik Van Maasdijk als leeraar kreeg. Van Maasdijk heeft terecht als leeraar een groote reputatie gehad, honderden jonge schilders heeft hij les gegeven met nooit verflauwde belangstelling voor hun persoonlijke ontwikkeling. Hij was een stille man, van wien men aanvankelijk groote verwachtingen had gekoesterd. Na den tegenslag, welke hij echter ondervond met zijn groote schilderij, een voorstelling aan het hof van den Zonnekoning, trok hij zich terug en hij leefde in betrekkelijke eenzaamheid, alleen zich wijdende aan het lesgeven.
Bij dezen grooten kunstenaar leerde ik naaktteekenen, van Dr. Dutilh kregen we les in de anatomie, ook boetseerde ik eenige winters bij Miedema en lessen in kunstnijverheid kregen we van Spoon. Een van mijn mèdeleerlingen bij Van Maasdijk was Kees van Dongen, die op Delfshaven woonde. Hij was toen nog een magere jonge man zonder zijn later zoo bekend geworden baard en hij werkt toen zeer uitvoerig.


Eerste expositie en verkoop werken
Intusschen exposeerde ik al hier en daar, o.a. op de z.g. Kunstbeschouwingen van de Academie, eenige aquarellen. Ik herinner me nog hoe enkele vrienden van mijn vader toen ik een jaar of vijftien was een teekening of aquarel van mij kochten voor een rijksdaalder per stuk. Op de Nieuwehaven woonde toen de heer Van Mens, die daar een kleermakerij had. Hij was erg met mijn werk ingenomen en hij bestelde me twintig teekeningen. Wanneer ik ze zou afleveren zou ik een meerschuimen pijp van hem krijgen. Na een tijdje werden de teekeningen prompt afgeleverd; de pijp werd echter vergeten. Eerst na vele jaren, toen ik al te Scheveningen woonde en de heer Van Mens mij een bezoek bracht, herinnerde ik hem aan zijn belofte en eenige dagen daarna kwam hij met de pijp, welke ik nu nog heb, aanzetten!
Mijn vader had in zijn winkel aan den Schiedamschen dijk dikwijls de mooiste schilderijen van de toen meest bekende meesters uit verschillende landen. Ik zie nog de werken van de groote Franschen voor me, zooals van Corot, Daubigny, Meissonnier, Detaille, Diaz, Decamps, Fromentin, Isabey, Jacques, Henner, Fortuny, Dupré of van Benjamin Constant of van andere buitenlandsche schilders zooals van Von Blaas, Muncacksy, Mancini en vele anderen. Het was altijd een groot genot voor me, mede te helpen de schilderijen uit te pakken: de schroeven uit de deksels van de kisten te halen om daarna, als ze op de ezels waren geplaatst, op mijn knieën er voor te kunnen liggen en te genieten. Wat was dat heerlijk! Ik vergeet het nooit. Ik zag toen schilderijen, waarvan vele naderhand in musea terecht zijn gekomen. De Haagsche School was in opkomst en mijn vader kreeg door tusschenkomst van den heer Tersteeg (eerst Goupil & Co., naderhand Boussod Valadon & Co. te Parijs) de nieuwste werken van Mauve, Bosboom, de gebroeders Maris, Blommers, Neuhuys, Israëls, Bisschop, David Bles, Klinkenberg, Apol, van Bakker Korff en van vele andere goede schilders van de Haagsche School. Breitner werd toen nog niet algemeen begrepen doch ik herinner me dat ik zijn kunst erg bewonderde en ze zoo mannelijk vond. Is het wonder dat mijn liefde en bewondering voor de kunst werd aangewakkerd bij het zien van zoovele schilderijen van de grootsten aller landen? Wat zag ik met grooten eerbied op tegen al die meesters. Jongkind, die een goed vriend van mijn vader was (een teekening met de opdracht "à mon ami Van Mastenbroek", afgebeeld in het boek van Nelaton herinnert er aan) placht hem altijd te bezoeken wanneer hij uit Parijs weer eens in Rotterdam kwam kijken. Het is me altijd bijgebleven hoe ik een keer in den winkel werd geroepen en hoe ik Jongkind toen een hand mocht geven. Mijn vader had altijd veel verhaald over Jongkind en over de moeilijkheden, die hij bij den verkoop van diens werk ondervond toen deze nog te Rotterdam woonde. Zoo vertelde hij, dat hij moeite had Jongkind’s schilderijtjes voor vijftig gulden te verkopen. Als dit toch wel eens gebeurde wilde Jongkind het geld altijd in guldens ontvangen; hij spreidde die op zijn bed uit en wentelde er zich in rond. Vader haalde dit altijd aan als afschrikwekkend voorbeeld om toch vooral te zorgen dat ik het verversvak goed zou leeren zoodat ik mijn brood kon verdienen als de Kunst mij eens niet zoo genadig zou Zijn. Eens op een dag kwam de heer Tersteeg, aan wien mijn vader weleens mijn aquarelletjes had getoond, en ik werd geroepen. De heer Tersteeg vroeg mij, of ik er drie aan hem wilde verkoopen voor een gouden tientje. Nu, dat kan men begrijpen, ik was de prins te rijk en ik deed het gaarne.
  Zalmhaven
Zalmhaven

Vader ging dikwijls bij bekende Rotterdammers uit die dagen als de Van Heel's, de Van Hoboken's, als Fop Smit e.a. schilderijen schoonmaken en vernissen. Ik mocht dan soms mede om de vernispot met de kwast te dragen en ik zag altijd nauwlettend toe hoe hij alles met zorg behandelde. Ook restaureerde hij bij ons thuis, haalde de oude vernis eraf, repareerde scheuren in het linnen en schilderde, waar noodig, een en ander weer bij. In ons huis was dan ook boven een kamer, welke hij de schilderkamer placht te noemen, ook al omdat hij altijd buiten had geteekend en geschilderd in zijn vrijen tijd, bij voorkeur koeien en landschap en hij thuis in die kamer nog wat aan zijn doeken werkte.

Hoewel ik zelf verfde, hout-en-marmerde bij den verversbaas, vergat ik toch mijn schetsen buiten niet. De dagen waren eigenlijk altijd te kort. Totdat mijn broer uit Brussel kwam en met den heer Grootenhuis een ververswinkel begon. Ik kwam bij hen als knecht en verdiende toen mijn eerste loon, vijf cent per uur. Ik werkte hard en bracht het naderhand tot twintig cents per uur, zijnde het loon van een "artiest" in die jaren. Zoo nu en dan, wanneer het dagelijksche werk het toeliet, nam ik een daagje vrij om voor me zelf te kunnen schilderen. Soms werd dat twee, drie dagen en op het laatst ging ik me geheel aan mijn kunst wijden en kwam men mij halen als er ergens letters gezet moesten worden of wanneer ik aan decoratiewerk moest medehelpen.


Prijsvraag Rotterdamse Kunstacademie
Op de Academie werd in 1896 een prijsvraag uitgeschreven voor het maken van een schilderij, voorstellende "De Maas met schepen." Ik deed daar aan mede en ik mocht het genoegen smaken dat de Jury, bestaande uit Jacob Maris, H. W. Mesdag en Chr. Bisschop, mij den prijs toekende.
Lid Pulchri Studio
Kort daarna stelde Jacob Maris mij voor als lid van Pulchri Studio en ik kreeg een schrijven van den heer Mesdag, waarin hij mij mededeelde, dat ik met algemeene stemmen als werkend lid was aangenomen. Ik was toen al lid van het Aesthetisch Genootschap te Rotterdam, waarvan Schipperus voorzitter was, en ik hielp er braaf mede wanneer er tableaux-vivants werden gemaakt om met Fabri, Weiland en La Rivière de decors te schilderen. Wat hebben we daar op den zolder van het pand in den Open Rijstuin een plezier gehad, 's avonds soms met een flink blaasorkest erbij en dan maakten we zooveel lawaai dat de agenten van politie op het kabaal afkwamen. Ze werden dan boven gehaald en moesten mede doen aan den feestelijken omgang over de zolders met Fabri en Jan Weiland voorop. Op dien zolder hebben we de doeken voor de tableaux-vivants geschilderd en we hebben er gerepeteerd voor de uitvoeringen in de groote Doelezaal, bij welke het U.S.O. onder Hutschenruyter de muziek verzorgde. Mevrouw Tartaud, toen nog Alida Klein, repeteerde er met de liefhebber-tooneelspelers van het Genootschap. Ook werden er in de Doelezaal Chineesche schimmen vertoond, natuurlijk met levende personen. Naderhand kwijnde het Aesthetisch Genootschap en hoewel we met Piet de Waardt en anderen probeerden het in leven te houden mocht dat toch niet baten. De Rotterdamsche schilderswereld bleek te klein in die dagen; liefhebbers waren er genoeg maar geen vakmenschen en zoo werd de zaak opgeheven en de bezittingen der societeit 'onderling verkocht. Ik bewaar nog de borrelglazen als herinnering aan dien mooien tijd!
  Cartoons leden Pulchri Studio
Cartoons leden Pulchri Studio

Eerste Atelier
Van mijn vader kreeg ik ondertusschen de beschikking over een zolderkamertje in ons huis, daarna over een groote achterkamer daar het zolderkamertje te klein bleek. De fotograaf Leyenaar, toen nog niet als zoodanig gevestigd, maakte de eerste opname van mij in dat atelier. Ik herinner me nog goed dat hij die had afgedrukt in het huis Oude Binnenweg hoek Mauritsstraat, waar hij toen woonde. De foto, die lag te drogen bij het raam, waaide de straat op en werd eenigszins beschadigd op de straatsteenen, niettemin is ze toch al die jaren bewaard gebleven.


Tweede atelier: Oudedijk
Toen mijn vader wat ouder werd en er in Rotterdam meerdere kunsthandels werden gevestigd o.a. de Kunstclub van den heer De Kuyper en de kunsthandel Oldenzeel vond hij het beter de winkel op te heffen. Het pand werd verhuurd en wij trokken naar een woning aan de Nieuwehaven. Ik huurde toen zelf een groot atelier aan den Oudedijk met uitzicht op de Kralingsche IJsclub. Er stonden daar drie ateliers, één waarin Jan Weiland werkte en één van Jan Linse jr. Ik had het grootste van de drie, het was namelijk het atelier, waarin de heer Van Maasdijk had gewerkt voordat hij zich alleen aan het lesgeven aan de Academie was gaan wijden. We hebben er hard gewerkt maar ook wel plezier gehad. Jan Weiland had de gewoonte als het erg warm was in zijn atelier te gaan werken met zijn bloote voeten in een koekepot met water om koel te blijven; zoo zat hij dan achter zijn ezel. Jan Linse haalde zijn schilderijen uit puur genoegen door de sloot, ze werden dan voortgetrokken door middel van twee touwen, aan het eene Cornelis de Moor, aan het andere de maker zelf. Weiland was een fijn landschapschilder, die vooral in zijn doeken van betrekkelijk klein formaat mooie stemmige dingen heeft gemaakt. Jan Linse heeft ook veel geteekend onder het pseudoniem "Boontje"; hij signeerde dan met een koffieboontje als merk. In "De Ware Jacob" en in "Abraham Prikkie" hebben vele knappe karikaturen en geïllustreerde grapjes van hem gestaan. De heer Van Maasdijk heeft een mooi portret van hem geschilderd, dat nu in het Museum Boymans hangt.


Contract met engelse kunsthandels
Voor ik naar den Oudedijk in het nieuwe atelier mijn intrek nam kwam mijn vader, het was nog in ons huis aan den Schiedamschen Dijk, met twee Engelschen aan, die de heeren Burrington en Boss, kunsthandelaars uit Londen, bleken te zijn. Zij stelden mij voor, een contract met hen aan te gaan, waarin zij verklaarden al mijne schilderijen, welke ik gedurende een jaar zou vervaardigen, te zullen koopen. Maten en prijzen werden vastgelegd en voor een jaar ben ik er inderdaad op ingegaan. Zulke contracten kwamen vroeger veel voor en ze waren vaak voor jonge kunstenaars een groote steun mits zij zich maar niet lieten verleiden, hun productie willens en wetens op te voeren om veel geld te verdienen. Het bekende spreekwoord van de sterke beenen, die de weelde kunnen dragen, gaat hier wel heel erg op. Mijn aquarellen verkocht ik indertijd geregeld aan den heer Tersteeg, bij wien ik meermalen Jacob Maris mocht ontmoeten, een kunstenaar voor wien ik grooten eerbied koesterde. Hîj heeft mij eens zijn afkrabmes geschonken, dat ik sedertdien geregeld heb gebruikt.


Lid Arti et Amicitiae
In 1894 had professor Carel Dake mij voorgesteld als lid van Arti et Amicitiae en soms mocht ik, wanneer ik daar exposeerde, vele vriendelijke bejegeningen ontvangen van de Amsterdamsche zoowel als van de Haagsche schilders. Breitner heeft me verschillende malen een briefje gezonden om mij met een of ander schilderij, dat hij van me had gezien, geluk te wenschen. Ook Haagsche schilders als Tholen, Toorop, Blommers, Bisschop hebben dit wel gedaan en het sterkte me en spoorde me geweldig aan, hard te werken. Hoe verschillend waren zij overigens in hun werk en uiteraard in heel hun persoonlijkheid: Breitner de hartstochtelijke, Tholen de brave en bezadigde, Toorop in zijn jonge jaren ook onstuimig, allen overigens even hartelijk en vriendschappelijk zooals ook de goede Blommers, die me wel mocht. Er was tusschen die schilders zoo'n eerlijke zuivere spheer zonder naijver of achterdocht, welke ik later eigenlijk nauwelijks nog ben tegengekomen.


Ontmoeting met Engeland
Nadat het contract met de Engelsche kunsthandelaars eenigen tijd van kracht was geweest, noodigden zij mij uit, naar Londen te komen om daar op en aan de Thames te studeeren. Dat was in 1895; ik aan vaardde de uitnoodiging en was gelukkig dat ik gelegenheid kreeg, iets van een andere wereld te zien. Ik trok dus naar Londen, waar men mij in een pension in Kensington Gardens, Maide Vale, bij vriendelijke dames een tehuis verschafte. Ik wandelde veel door Londen om den weg te leeren kennen of ik reed boven op een paardenomnibus en ik maakte veel schetsen bij London Bridge, Tower Bridge, op de Thames en overal waar ik maar bij het water kon komen. Van de Thames Conservancy Office vroeg en kreeg ik vergunning op alle booten en pieren van de maatschappij te teekenen, zooals in hun brief vermeld stond "for the purpose of sketching". Het was een gelukkige tijd, dien ik toen meemaakte en ik werkte dan ook naar hartelust, bezocht de musea en maakte uitstapjes per op boot de Thames. Schitterend was de ochtendatmospheer als de zon door den damp trachtte te boren en alles met een zilveren licht overgoot. Ik heb daar dan ook vele dingen gemaakt, o.a. een aquarel van de toen juist geopende Tower Bridge; naderhand was die in het bezit van den heer Ravenswaay te Rotterdam.


Ontmoeting van Margaretha Wellsted
Voor ik naar Londen vertrok had een tante mij een introductie medegegeven voor een familie Wellsted. Deze Wellsted's waren bij familie van mijn vaders eerste vrouw goed bekend daar mevrouw Wellsted, die zelf geboortig was uit Bingen aan den Rijn, door haar huwelijk met een Engelschen zeekapitein veel in Rotterdam kwam. Ik vroeg mijn Engelsche vrienden op welke manier ik naar Newhaven (Sussex) moest komen; het bleek nogal ver te zijn, heelemaal aan de Zuidkust van Engeland, doch op een goeden Zondag besloot ik met een retourtje's ochtends naar Newhaven te gaan en 's middags terug te keeren. Dit deed ik dan ook en bij de familie Wellsted werd ik, als boodschapper van de vrienden uit Holland, op de meest hartelijke wijze ontvangen. Men verzocht mij ook, als ik 's Maandags weer te Londen zou zijn om te schetsen, eens aan te loopen bij den oudsten zoon, die een kantoor had op Tower HilI. Ik deed dit en samen hebben we toen veel door Londen rondgetrokken, tentoonstellingen bezichtigd, musea, kerken, concerten bezocht o.a. in het Imperial Institute, waar Johan Strauss groote triomfen vierde als kapelmeester. Een aardige bijzonderheid is nog dat Herbert Hoover, later President van de Vereenigde Staten, partner was in de business van mijn zwager als mining-engineer; ik heb hem in later dagen vele malen in Londen ontmoet, zonder natuurlijk te kunnen vermoeden welke hooge functie hij nog eens zou bekleeden. Hoover was in die dagen een kleine onopvallende figuur, altijd bezig en altijd gehaast. Mijn zwager noemde hem Herbie. Ik schreef daar net "mijn zwager" en daarmee is al aangeduid dat Amor's pijlen doel hadden getroffen. De bezoeken aan de familie Wellsted werden namelijk geregeld herhaald en in 1897 kon ik mij met de oudste dochter, Margaretha, verloven, nu gedurende vijf en veertig jaren mijn getrouwe metgezellin en zorgzame vrouw, die mij altijd zoo veel heeft gesteund. Zij was onderwijzeres en de districts-schoolopziener zeide mij eens bij een ontmoeting, dat, wanneer ik soms genoeg van haar mocht krijgen, de school haar gaarne terug wilde hebben. Volgens hem was de groote opkomst op de school Uitsluitend te danken aan "the benige influence of Miss Wellsted."
Deze districtsschoolopziener zei bij een bezoek aan de school "Miss Wellsted wouldn't you like to go to South-Africa? They want teachers like you out there, beautiful climate, good salary and . . . the chance of a Dutch husband." Miss Wellsted antwoordde "Oh! Mr. Gardner, l need not go to South-Africa for a Dutch husband, l am already engaged to be married to a Dutchman, Mr. van Mastenbroek of Rotterdam."


Succes als schilder
Toen ik weer in Rotterdam was teruggekeerd werkte ik hard. Met mijn vader en moeder woonde ik in een huis aan de Waterloostraat achter de kerk in de Hoflaan. Kort daarop is mijn goede moeder daar gestorven. Met mijn werk mocht ik intusschen succes boeken en ik bleef me steeds toeleggen op het teekenen buiten terwijl ik des winters 's avonds met Schildt op zijn atelier naar gekleed model teekende. De arme Schildt is naderhand blind geworden en het was aandoenlijk hem te zien, hoe hij wanneer men hem bezocht en dan met gelegenheden als Kerstmis of St. Nicolaas een boterletter meebracht, deze moest betasten terwijl hij dan toch nog opgewekt kon spreken. Lang heeft hij helaas niet meer geleefd en terwijl hij ster- vende was, lag in een aangrenzend vertrek zijn vrouw ernstig ziek te bed. Tragisch lot van een ontegenzeggelijk begaafd schilder. Kees van Dongen had ook nog een tijd een atelier onder dat van Schildt op de Groenendaal. Koos Speenhoff heeft daarvan uitvoerig verteld in zijn boek "Daar komen de schutters". Later, toen Kees naar Parijs trok heb ik nog een koperen kroon en een kandelaar van hem overgenomen; ik bezit ze nog als herinnering aan die tijden.


Op stad in Rotterdam
Buiten de stad heb ik veel geteekend: per fiets trok ik overal heen, gewapend met schetsboek en waterverfdoos. Ik droeg altijd een fleschje met een lang touw eraan bij me om, wanneer ik ergens aan den wallekant zat te aquarelleeren, gemakkelijk het daartoe benoodigde water uit de haven te kunnen putten. Zoo heb ik de heele omgeving rondom Rotterdam geteekend of geschilderd en daar alles doorloopend veranderde waren er ook altijd nieuwe aspecten en het beeld bleef steeds leven, iets waarvan ik erg hield.


Internationale kunsttentoonstelling Parijs
In 1900 ging ik met Schildt samen naar de tentoonstelling te Parijs, waar wij beiden hadden tentoongesteld in de Hollandsche afdeeling (ik ontving er een "Mention Honorable") en we bezochten er natuurlijk ook onzen vriend Van Dongen.



Trouwen met Margaretha WellstedZooals ik hierboven reeds zeide, was ik verloofd met Margaretha Wellsted en ieder jaar ging ik, wanneer ik genoeg had overgespaard, eenige weken naar Engeland, waar ik natuurlijk in de omgeving van Newhaven de noodige schetsen maakte. In September 1900 zijn wij in Newhaven gehuwd nadat we in Augustus te Rotterdam waren aangeteekend. Consulgeneraal Maas te Londen verleende zijn bemiddeling voor de voorgeschreven formaliteiten en 29 September 1900 waren wij de gelukkige echtgenooten. Onze huwelijksreis ging van Newhaven uit naar Italië, waar wij genoten van de prachtige kunstschatten in de verschillende steden. Maar tenslotte moesten wij weer tot het werkzame leven overgaan en we vertrokken naar Rotterdam, waar wij op den Nieuwen Binnenweg onze woning betrokken.
In 1902 werd onze dochter Nora daar geboren; spoedig echter werd ons huis te klein en wij verhuisden naar een benedenhuis aan het Heemraadsplein, in welks tuin ik een groot atelier kon laten bouwen. Daar heb ik heerlijk gewerkt; ik oogstte veel succes met mijn werk en van overal kwamen kunsthandelaars en particulieren om te kijken en te koopen. Vele malen kreeg ik aanbiedingen en heb ik contracten geweigerd want ik wilde vrij blijven en schilderen wat ik wilde. Het bedrijf in de Rotterdamsche havens werd hoe langer hoe drukker, alle havens zag ik zoo successievelijk tot stand komen: Rijnhaven, Eerste Katendrechtsche haven, Maashaven, Parkhaven, Jobshaven, Waalhaven en al de verdere uitbreidingen. Rotterdam veranderde wel doch het bleef toch altijd mijn geliefd Rotterdam.
Ter afwisseling maakte ik tochten naar Zeeland, verder door Zuid-Holland en Noord-Holland, werkte ook veel te Amsterdam en in de omgeving van de stad. Ook Zaandam was toen een mooi stadje. Weer andere keeren bezocht ik Utrecht, Amersfoort, Kampen en alle Zuiderzeehavens, zoodat ik altijd groote afwisseling kon brengen in mijn werk, om daarna weer tot Rotterdam en zijn rivier terug te keeren. Al het werken aan de nieuwe havens sloeg ik al teekenende en schilderende gade, want ik hield van dien gestadigen arbeid. Dat hard werken van iedereen gaf me altijd moed en spoorde me zelf ook aan ‘s ochtends, 's middags en 's avonds -, ik was zonder ophouden in mijn werk. 's Avonds krabbelde ik wat ik overdag had gezien, hetgeen aanleiding is geweest tot vele schilderijen en aquarellen. In dien tijd heb ik ook een groot schilderij gemaakt, " Werven aan de rivier", dat iemand in Liverpool kocht en aan de Walker Art Gallery, het museum van die stad, ten geschenke gaf.
  Nora as red Ridinghood (Nora als Roodkapje)
Nora as red Ridinghood (Nora als Roodkapje)

Zoo'n feit bezorgde me dan vele brieven van Engelsche schilders, die mijn werk prezen, alweer een voorbeeld van de hartelijke kameraadschap zonder afgunst, welke er vroeger tusschen de schilders onderling kon bestaan. Tegenwoordig zal dat misschien nog wel zoo zijn maar wij schilders, die de zes kruisjes zijn gepasseerd, merken daar zooveel niet meer van, ook al omdat onze eigen gelederen zoo langzamerhand nogal worden gedund... Tentoonstellingen te Düsseldorf, Berlijn en andere Duitsche steden deden zoo connecties ontstaan met Duitsche schilders o.a. met Hans Hermann, die ons vele malen bezocht, en met Von Bartels. Ik kon zoo gelukkig zijn wanneer ik buiten een machtige impressie had opgedaan; ik kon staan smullen van de heerlijke wolkenformaties en van den aan kleuren zoo rijken strijd tusschen zon en wolken. Ik ging dan ook altijd uit teekenen wanneer het buiig weer was want dan had men de mooiste luchten en de schitterendste kleuren. De aarde was dan doorweekt dus zwaar van kleur en dat deed zoo smeuïg aan en het waren de aangewezen dagen om buiten te gaan werken. Daarna had ik geen rust voor ik zulke indrukken in een schilderij had verwerkt. Een nieuw onderwerp kreeg ik toen de graanelevators in gebruik werden genomen; het eerste schilderij daarvan maakte ik in 1906; het is sindsdien eigendom van de Graanelevator Maatschappij te Rotterdam. Dat de graanelevators echter niet alleen een mooi onderwerp voor een schilderij vormden maar dat ze als factor van sociale beteekenis ook heel anders bezien kenden worden bleek toen de werkstakingen ontstonden onder de bootwerkers die zich door het invoeren van deze mechanische wijze van lossen in hun bestaan voelden bedreigd. Daar in het atelier van ons huis aan het Heemraadsplein heb ik verschillende schilderijen gemaakt, van welke ik veel genoegen heb beleefd.
Stoom, rook en regen
Stoom, rook en regen

  Zoo o.a. "Stoom en Rook," dat in 1909 op de Kunsttentoonstelling te Berlijn is aangekocht voor den Pruisischen Staat. Eerst had ik dit schilderij geëxposeerd op een tentoonstelling in Pulchri Studio. Mijn collega-schilders vonden toen, dat het nogal uit den toon viel van, het tentoongestelde Haagsche werk, doch de Duitsche schilder Hans von Bartels, die in Pulchri op bezoek was, noodigde me uit, het schilderij, dat voor die gelegenheid werd herdoopt in "Dampf und Rauch" te Berlijn te laten zien met het bovengenoemde resultaat. Het zal me benieuwen of het schilderij nog bestaat. De zeilvaart werd hoe langer hoe meer verdrongen door de stoomvaart zoodat het aspect van de havens en van de Maas anders werd; daardoor ook het uiterlijk van mijn werk, waarin ik steeds heb getracht een beeld van het leven in de havens en op stroom te geven. Een onderscheiding, welke me met een zekeren trots vervulde, is in die jaren ook de uitnoodiging geweest om lid te worden van de Hollandsche Teekenmaatschappij. Jozef Israëls stuurde me daartoe een brief, met welken ik uiteraard nogal verguld was, want ik was de eenige Rotterdamsche schilder, die in dit gezelschap exposeerde. Jozef Israëls schreef dat, mijn werk, "een noot vormde in het kleurengamma der Hoil. Teeken Maatschappij, die niet gemist kon worden."
Meer dan na den eersten wereldoorlog was het voordien gewoonte dat buitenlandsche kunsthandelaars de schilders in ons land bezochten om werk van hen te koopen. Aan die bezoeken heb ik de aangenaamste herinneringen behouden. Ook Nederlandsche handelaren vereerden de schilders wel met hun bezoeken. Zoo kreeg ik eens bezoek van een grooten Amsterdamschen handelaar. Hij stelde me voor: "Ik koop je heele atelier", schatte de waarde en die was zoo, dat ik tegen een dergelijke transactie niet het minste bezwaar kon hebben. Maar - en toen kwam de aap uit de mouw - dan koop ik niet alles tegelijk en dan mag je niet meer aan iemand anders verkoopen!" Toen ben ik maar niet verder op zijn voorstel ingegaan want ik wilde me toch liever niet binden. Het is me ook eens overkomen, dat een Haagsche handelaar vroeg, of ik hem eenige aquarellen wilde zenden, zoodat iemand in Rotterdam (er werd natuurlijk niet bij gezegd, wie) er één kon uitzoeken voor een jubileum. Ik zond natuurlijk per omgaand twee aquarellen, een briefje erbij met de prijzen en de titels. Veertien dagen hoorde ik niets tot ik toevallig in Rotterdam een van mijn kennissen, die een gelegenheid, waar diners enz. werden gegeven, exploiteerde, tegen het lijf liep en die vertelde me: "Zeg, Mastenbroek, vorigen zaterdag is er bij mij een groot diner geweest van die en die en daar hebben ze een aquarel van jou aangeboden." Ik vroeg direct een omschrijving en ja het bleek een van de twee op zicht gezonden werkjes te zijn. Doch eerst na een dag of acht werd er uit Den Haag getelefoneerd: "In Rotterdam wil men een van je aquarellen wel koopen maar men vindt ze veel te duur." Ik antwoordde: "Stuur ze me dan maar dadelijk terug." Na nog eens acht dagen liet men toen tenslotte weten dat er een aquarel was verkocht. Wel verbaasd was de handelaar toen hij me de chèque ter hand stelde (ik was ze voor alle zekerheid maar zelf gaan halen) en hij op zijn vraag: "Weet je wie het ding gekocht heeft?" direct het goede antwoord kreeg. Gelukkig waren niet alle handelaren zoo, vooral de buitenlandsche gedroegen zich als voortreffelijke kooplieden, die los van den commercieelen kant ook voor het werk een eerlijke belangstelling hadden. Door bemiddeling van firma's als Arthur Tooth & Sonen, Wallis& Son te Londen en Robertson Dundee en Knoedler te New York is dan ook nogal wat werk van me in Engelsche en Amerikaansche verzamelingen terecht gekomen. Het is eigenlijk wel jammer het te moeten opmerken maar in het algemeen wilde men in ons land van de zijde van den kunsthandel altijd de waardeering voor het werk drukken om het goedkooper in bezit te krijgen en de winsten, welke toch al niet gering waren, nog een beetje op te zetten.
Toen wij tot het besluit kwamen te Scheveningen te gaan wonen (Huize Quambi, Archief), liet ik daar een huis bouwen met een groot atelier, zoodat ik mijn vleugels beter kon uitslaan. In Rotterdam was het toch altijd min of meer behelpen geweest maar nu kreeg ik ruimte en rust rondom mij, hetgeen natuurlijk het werken ten goede kwam. We konden trouwens toch een iets grooter huis best gebruiken want in 1909 was onze zoon William Edward te Rotterdam geboren. Hij is nu doctor in de rechtswetenschappen en in 1940 vervulde hij een functie bij het Binnenlandsche Bestuur in Nederlandsch Indië. Ook onze dochter, die eerst te Leiden biologie heeft gestudeerd, is na haar huwelijk met Mr.Dr.J.G.W. Lekkerkerker daarheen vertrokken. Ik herinner mij hoe eens, bij gelegenheid van de Tentoonstelling te Gent, een Kunstcongres werd gehouden. Afgevaardigden uit alle landen waren daar bijeen. Ik geloof dat was in 1913. Wij werden ontvangen op het stadhuis in Brussel en Gent, uitstapjes naar Brugge en ook een boottocht op de Leye, tusschen het schoone landschap. Cyriel Buysse stond aan zijn villa en begroette ons, op het kasteel van den Graaf 't Kint van Roodebeeke werden wij onthaald, wat was dat alles prachtig gelegen zoo midden tusschen de weelderige Vlaamsche landouwen. -Emile Claus was langen tijd toen mijn metgezel en gezellige dagen brachten wij door. Om niet te vergeten. - En toch werden er vele onderwerpen van ernstigen aard besproken, het auteursrecht en het "Droit de suite" wat toch alles tot stand is gekomen. Dit alles is noodig om er van te leeren en niet te versuffen. Ik heb dan ook altijd een open oog gehad voor alles rond mij heen dat leefde.
Een functie, van welke ik veel plezier heb beleefd, was het lidmaatschap van de Commissie voor de Koninklijke Subsidieën, van welke Louis Apol voorzitter was. De jaarlijksche bijeenkomst van die commissie was een gebeurtenis: den geheelen dag keurden we het ingezonden werk en ik heb in die hoedanigheid meermalen schilderijen van ontluikende talenten leeren kennen, die subsidie kregen en die later inderdaad ook een sieraad zijn geworden voor onze vaderlandsche schilderkunst. Dit ter weerlegging van de bewering, welke zoo vaak wordt verkondigd, dat meestal de verkeerden worden gehonoreerd.
In 1914 brak de eerste wereldoorlog uit en wij schilders zinden natuurlijk op een manier onze in nood verkeerende kunstbroeders te helpen. Ik was toendertijd secretaris van de schilderkunstige afdeeling van den Haagschen Kunstkring en in het eerste jaar van den oorlog, Kerstmis 1914, hebben we toen een kerstboom opgericht, versierd met aquarellen, die niet grooter mochten zijn dan een visitekaartje; een attractie, die we hadden uitgedacht om de belangstelling voor de kunst zoo'n beetje gaande te houden. In 1914 kregen we ook den grooten stroom van vluchtelingen uit België, vooral uit Antwerpen. Met dr. Snijders van Wissekerke als voorzitter, Philippe Zilcken, de nerveuze en altijd bezige met zijn eeuwigen strooien hoed sierlijk op, als penningmeester en ik als secretaris vormden we een commissie voor de verloting van kunstwerken ten bate der Belgische vluchtelingen. We kregen 860 kunstwerken bij elkaar en in eenige weken verkochten we bijna 60000 lootjes van een kwartje. Als bewijs hoe alle kunstenaars deze verloting steunden, diene dat Dijsselhof mij twéé studies stuurde, daar hij geen lijstje er voor had, dus om het goed te maken. Het was een groot succes en we konden een groot aantal menschen een weinig uit den nood helpen. Ik heb indertijd ook de Belgische schilders zooveel mogelijk bij elkaar verzameld, we bezorgden ze een gelegenheid, waar ze konden werken en tentoonstellen en we bezorgden hun goedkoope verf en linnen zoodat zij konden voortgaan, zich aan hun werk te wijden en zoo hunne ellende tenminste zooveel mogelijk vergeten. De schildersvereenigingen richtten toen het Nederlandsche Steuncomité voor Beeldende Kunstenaars op; ik behoorde tot de oprichters en heb er vele jaren deel van uit gemaakt, vele schilders geholpen met verf, doek en penseelen; we maakten voor alle kunstenaars, die het noodig hadden pakketjes en m'n zoontje bracht die met een kruiwagen naar het postkantoor. We kochten ook werken aan, kortom we probeerden te steunen waar dat maar mogelijk was; ik heb zelf nog eens een tijd zonder overjas geloopen omdat ik de mijne had geleend aan Victor Gilsoul, die zonder een behoorlijk kleedingstuk uit België was gevlucht. Uiteraard leerde ik door al deze dingen veel Belgische kunstbroeders kennen, over het algemeen aardige hartelijke kerels en kranige artiesten, even gul schilderend als ze in den dagelijkschen omgang waren. Toen de oorlog afgeloopen was noodigden zij me uit, een tentoonstelling van mijn werken te Brussel te houden en ik mocht daar veel publiek succes oogsten. H.M. Koningin Elisabeth bezocht haar, ook Franz Courtens, Victor Gilsoul, Louis Raemakers e.a. terwijl Minister Carton de Wiart de tentoonstelling opende. De Belgische Staat heeft toen het schilderij "Graansilo en werkende elevators" gekocht voor het museum te Brussel terwijl ik daarna ook nog de Kroonorde van België mocht ontvangen van Koning Albert en mijne vrouw de Leopoldsorde, zulks als dank voor de zorg, welke wij hadden gehad ten opzichte van de Belgische vluchtelingen.
Een functie, welke mijn werklust ook deed ontplooien was die als voorzitter der Commissie voor de historische herdenking van de kroning van H. M. Koningin Wilhelmina, een onderdeel van het Haagsche Comité voor Volksfeesten. We hebben toen van alles gearrangeerd: een bloemencorso, versieringen, een lichtstoet, illuminaties aan den Hofvijver enzoovoorts en we hebben getracht, de feesten zoo waardig mogelijk te houden en artistiek verantwoord, in 1923 zoowel als in 1938. Zoo heb ik bij de feesten voor H.M. de Koningin-Moeder ook de ontwerpen gemaakt voor de versiering in de Groote Kerk en bij het huwelijk van Prinses Juliana was ik voorzitter van de Commissie van Advies voor de versieringen; wekelijks hielden we toen zittingen voor buurtvereenigingen en particulieren en we hebben ons best gedaan, onzen artistieken invloed ten goede aan te wenden zoodat het uiterlijk van stad en straten bij zoo'n gelegenheid overeenkwam met de beteekenis van het feest. Ook in 1939 werd de Keizerstraat te Scheveningen onder mijn leiding met netten versierd, tijdens de onafhankelijkheidsfeesten In 1916 en in 1926 heb ik schetsen gemaakt in de streken, welke waren geteisterd door den watersnood; in het eerstgenoemde jaar was dat in Waterland, tien jaar later in het gebied van Maas en Waal. Een wonderlijk beeld boden die onder water staande streken, waar alleen daken en kerktorens en boomkruinen boven den waterspiegel kwamen: somber en droevig, toch aan den anderen kant grootsch en schoon door de weerspiegeling van hemel en wolken in het eindelooze watervlak. Van hetgeen ik in Broek in Waterland had gezien en geteekend heb ik later ook eenige schilderijen gemaakt en in 1916 heb ik ter gelegenheid van een avond in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te 's Gravenhage ook een tableau vivant van de dijkdoorbraak samengesteld. In 1926, tijdens den watersnood in het land van Maas en Waal voer ik vele malen mede met de mariniers, die er in hun pontons op uit trokken om den menschen huIp te brengen. Van watersnood heb ik ook groote teekeningen gemaakt, een twaalftal; de tentoonstelling van deze werd gehouden in de kunstzaal Kleykamp terwijl reproducties van de teekeningen op de grootte van een briefkaart werden verkocht.
Die verkoop stelde me in staat, een aardige som af te dragen aan het Roode Kruis ten behoeve van hen, die door den watersnood waren getroffen.
Ik heb nog meer van dat min of meer journalistieke werk gedaan: toen H.M. de Koningin-Moeder overleed heb ik een groote krijtteekening gemaakt van de begrafenisstoet bij het paleis in het Korte Voorhout; niet lang daarna heb ik ook de begrafenis van Prins Hendrik geteekend. Beide teekeningen gingen over in het bezit van de gemeente' s Gravenhage voor het archief.
In 1937 exposeerde ik weer op de Salon te Parijs en ik verkreeg er een "Mention Honorable," een jaar later mocht ik er een zilveren medaille ontvangen en het bekroonde schilderij, "Winterochtend aan de Maas" ging over in het bezit van den Franschen staat.
De belangstelling voor kunst was in Nederland intusschen zeer gering geworden zoodat er een aantal jaren volgden, die niet gemakkelijk zijn geweest. Maar ik bleef doorwerken en toen ik werd aangezocht, mijn bijdrage te leveren voor een album over de Zuiderzeewerken kwam ik weer in mijn element. Ik zag al dadelijk bij een inspectietocht langs den gedeeltelijk gemaakten Afsluitdijk, dat daar voldoende werk voor me zou zijn. Ik werd door dit werk zeer gegrepen en het liet me niet meer los: ik moest het wel maken, zoo was ik onder den indruk van het geweldige werk, het was in één woord dan ook iets grootsch! De tochten over de klei en den dijk waren wel inspannend en ze vergden veel van mijn uithoudingsvermogen, maar ik zette door zonder op vermoeienis te letten, soms dagen zonder middagmaal maar dat gaf niets wanneer ik mijn schetsen maar kon maken. Het heeft me alles zoo geboeid, dat ik een geheele collectie schilderijen, aquarellen en teekeningen van verschillende momenten en belangrijke sluitingen kon vervaardigen. Ik hield daar dan ook een tentoonstelling van in Pulchri Studio, een week nadat de sluiting van De Vlieter een feit was geworden. De zalen van Pulchri had ik al een jaar van te voren besproken voor Juni 1932 en ziet, juist een week voor de tentoonstelling moest openen, werd die laatste afsluiting een voldongen feit. Vele schilders in Den Haag zeiden me: "Wie houdt er nu een tentoonstelling in dezen tijd?" Doch ze hebben het gelukkig mis gehad, want. de tentoonstelling werd een groot succes en voor mezelf was er die goede zijde aan, dat ze tenminste had bewerkt dat ik hard had gewerkt in plaats van te gaan zitten wachten op betere tijden. Werken en nog eens werken is dan ook tenslotte het eenige, dat een mensch in leven houdt en fit doet blijven. Ik zou dan ook jongen schilders geen beteren raad kunnen geven dan te zeggen; werkt hard en zoolang het dag is en doet dit dan met liefde voor het werken want als men dat doet zal ongetwijfeld die liefde voor het werken en tot het werk weer spreken tot degenen, die de schilderijen aanschouwen. Ik heb dat sjouwen in bagger en klei, het loopen over pas aangelegde dijken, het klauteren over stukken basalt altijd maar zoo'n beetje als sport beschouwd. Aan sport had ik altijd veel gedaan, ik behoorde tot de oer~Spartanen, Ik heb geroeid bij de roeivereeniging Nautilus, ik heb dikwijls schaatsen gereden op de plassen en tochten heb ik natuurlijk ook gemaakt door het besneeuwde Zuid~Hollandsch polderlandschap. Gezwommen heb ik al van mijn zesde jaar af en op- de fiets ben ik vrijwel door ons geheele land getrokken en altijd was er natuurlijk gelegenheid te schetsen. Naderhand ging ik op jacht, nu reeds meer dan veertig jaren en dit schonk me het voorrecht, het landschap en de rivier te zien bij het aanbreken van den dag en ook wanneer de zon onder ging. Zoodoende kwam ik als vanzelf tot de jacht~ en vogelschilderijen. Ik genoot altijd dubbel: eerst wanneer ik het buiten zag en teekende en naderhand thuis, wanneer ik het schilderij of de teekening uitwerkte. Gelukkig heeft mijn gezondheid altijd toegelaten dat ook de grootste vermoeienissen me niet deerden).
Onder het schaatsenrijden kon ik dan ook zonder handschoenen teekenen, mijn krijtjes en mijn schetsboek waren overal mijn metgezellen.
Waaraan ik al die jaren ook de aangenaamste herinneringen heb behouden, dat was aan den omgang met schrijvers, musici en schilders uit mijn omgeving: ik was zeer bevriend met Siekemeyer, met dr. Van Anrooy, Arie de Vogel, Kaltwasser, De Waardt, Bart Verhallen, Van Isterdael, Hack, Vink en met André Spoor en ook een aantal schrijvers kende ik goed, zooals Louis Couperus, Gerard van Hulzen, Henri van Wermeskerken, Felix Timmermans, Emile Hullebroeck, die meer voordrager was evenals Albert Vogel, Hans Martin, Jan Feith en nog vele anderen. In Den Haag zoowel als in Amsterdam was îk opgegroeid met vele toen levende schilders, zooals Thérèse Schwartze, Bastert, Briët, Breitner, Bauer, Dijsselhoff, Jurres, Gorter, Bart van Hoven, Wijsmuller, Witsen, ook met Wienicke, den medailleur en met den pottenbakker Chris Lanooy. Een bezoek aan de sociëteiten van Pulchri of van Arti gold dan ook altijd als een bezoek aan de vrienden. Zoo kende ik ook Jan Toorop, die zoo vrijgevig was met het vergeven van zijn auteursrechten; dat bracht hem altijd weer opnieuw in moeilijkheden en hij kwam dan meestal bij mij raad halen. Dan was er Toon Dupuis, knap beeldhouwer, in zijn dagelijksche leven altijd vol snaaksche invallen. Ik herinner me altijd nog als een van. zijn grapjes, hoe ik hem een sigaret presenteerde, waarop hij er me een van hemzelf teruggaf, daarbij zeggend: "Hier heb je er nog drie cent bij want die van jou zijn vast duurder."
Pulchri' s sociëteit. werd druk bezocht door de schilders. Het was er gezellig, vooral aan de kletstafel, zooals we het noemden. Zoovele vogels van diverse pluimage en toch met elkander op zoo'n vriend~ schappelijken voet verkeerend. Wat hebben we er niet een gezellige feesten gevierd, zoowel de z.g. heerenavonden als de algemeene groote feestavonden.. Er was een groote eenheid onder ons collega's en die uitte zich in allerlei dingen, welke we gezamenlijk volbrachten: artistieke tableaux vivants, versieringen in de zalen. Voor alles was de gewone dagelijksche omgang met allen een genot. Hoeveel heb ik niet kunnen praten en discussieeren met Willem van Konijnenburg, met Haverman, Toon Dupuis, met Albert en met Willem Roelofs, FI. Arntzenius, Louis W. van Soest, Willem de Zwart, Piet van der Hem, Willy Sluiter en met Theo van Hoytema en veel heb ik zoodoende geleerd. Velen van hen zijn reeds heengegaan maar ik beschouw het toch altijd nog als een voorrecht, dat ik met hen heb omgegaan, relaties waaraan ik vele goede herinneringen bewaar. Reeds op betrekkelijk jeugdigen leeftijd leerde ik vele kunstenaars in ons land, in België, Frankrijk, Duitschland en Engeland kennen en ik ben, als ik over alles weer eens nadenk, steeds weer dankbaar dat ik zoo'n werkzaam en rijk en vol leven heb gehad, ik heb er geen spijt van.
Voor het kamerschut, dat H.M. de Koningin ten geschenke heeft gegeven aan den Hertog van Kent ter gelegenheid van zijn huwelijk, heb ik een van de aquarellen gemaakt. We waren daarna dan ook een dag de gasten van H.M. op het Loo. Toen Prinses Juliana huwde maakte ik in opdracht van de Reedersvereeniging te Scheveningen een schilderij "Storm in de Buitenhaven te Scheveningen met binnenloop enden logger," dat zij aan de Prinses heeft aangeboden. In Januari 1929 was onze dochter! Nora gehuwd en naar Nederlandsch Oost Indië vertrokken, voor ons ouders een verlies waar wij ons niet gemakkelijk over heen konden zetten. In Mei 1935 kwamen zij echter met hun eerste verlof naar Scheveningen en zij brachten twee lieve kinderen mee, een zoon, Henkje, en een dochter, Annetje. In Januari van dat jaar vertrok onze zoon William Edward, die intusschen na zijn studie in Leiden te Amsterdam tot doctor in de rechtswetenschappen was gepromoveerd, echter ook naar Indië. Het was wederom een groote slag voor ons, onzen eenigen zoon te moeten missen. Maar ach, wij zochten onze toevlucht maar weer in ons werk zoodat wij geen tijd hadden, erover te piekeren. Ik kreeg opdrachten van vele kanten en in 1939 maakte ik nog schetsen van de sluiting van den dijk tusschen Lemmer en Urk, hetgeen weer een aanleiding was mijn cyclus van de Zuiderzeewerken uit te breiden. Deze geheele collectie is toen in 1941 op verzoek van Dr. Schmidt- Degener, den zoo uiterst knappen en fijnzinnigen directeur, in het Rijksmuseum tentoongesteld geweest. Voordien was ze ook nog eens in het Stedelijk Museum te Amsterdam ten bate van het Amsterdamsche Crisis Comité geëxposeerd.
Toen braken de Mei-dagen van 1940 aan en daarmede kwam de bezetting van ons land. De ramp, die Rotterdam trof, trof natuurlijk ook mij als volbloed-Rotterdammer diep in mijn hart en ik spande mij in om te bedenken of ik iets kon doen teneinde het leed van de getroffenen te helpen verzachten. Die gelegenheid deed zich spoedig voor toen men mij verzocht, eenige aquarellen van Rotterdamsche stadsgezichten te vervaardigen teneinde daar reproducties in kleuren van te maken. Deze gelegenheid greep ik met beide handen aan. De aquarellen heb ik tentoongesteld bij de opening van den kunsthandel Gebr. Koch aan de Jongkindstraat te Rotterdam. Afgesproken was, dat wij een percentage van de opbrengst zouden schenken aan het Comité 1941 tot steun van de getroffenen onder de Rotterdamsche kunstschilders. En zoo geschiedde het, de tentoonstelling, die werd geopend door Mr. van der Mandele, den voorzitter van de K. v. K., had veel succes.
De oorlog woedde voort, de winter van 1942 brak aan en daarmede kregen we het ontstellende bericht, dat de inwoners van Scheveningen moesten evacueeren. Daar zaten we nu al 32 jaren in ons huis te Scheveningen, waar we met zooveel liefde mooie dingen hadden vergaard en waar ik een atelier had, van hetwelk ik eigenlijk niet kon scheiden. Dat alles te moeten opbreken, en het huis, waar we zooveel lief en leed hadden genoten en gedragen en gedeeld deed ons veel verdriet. Bij de pakken neerzitten hielp echter niets en toen heb ik maar een kloek besluit genomen, ik zette de tanden op elkaar en ik begon de schilderijen en andere dingen in te pakken en alles gereed te maken voor een verhuizing. Waarheen? We wisten het niet, voor de heide gevoelden we niets, wel wilden we graag naar ons geliefd Rotterdam. Dat was helaas ook al niet meer, wat het vroeger was geweest maar er werd en er wordt toch altijd nog gewerkt en dus was er leven. Dat zou me goed doen en mij evenals vroeger ook doen werken. We konden echter niet gemakkelijk een huis krijgen, zoodat ik voorloopig ergens in Schiebroek maar een groot cementen varkenskot huurde om al m'n bezittingen in onder te brengen. Gelukkig slaagden we er Februari 1943 in, een benedenhuis te vinden, waarin we alles konden onderbrengen en waarin ik in een kamer, die over de geheele breedte van het huis loopt, ook nog een bescheiden atelier kon inrichten. Het huis is natuurlijk tjokvol maar ik heb mijn levenswerk van bijna zestig jaren rondom mij en bij tijden kan ik rustig mijn schetsen uitwerken. Daarvan heb ik er nog zooveel, die nog uitgewerkt moeten worden. Ik hoop nog veel te kunnen werken en als het ons dan nog gegund mocht zijn, onze kinderen en kleinkinderen, van wie wij al deze jaren geen bericht hebben gehad, terug te zien en Rotterdam weer aan het opbouwen kan gaan, dan zullen we een gelukkigen levensavond hebben. Misschien is het mij gegeven den opbouw van Rotterdam in teekeningen en in schilderijen te kunnen vereeuwigen (al is "eeuwig" tegenwoordig een betrekkelijk begrip) en als dat zoo is, dan kom ik tot het besef, dat het de moeite waard is geweest, geleefd te hebben en gewerkt in oprechte liefde voor mijn stad Rotterdam, want daarvan is mijn geheele leven vervuld geweest.

J.H. van Mastenbroek

Rotterdam, Augustus 1945
  Foto Huize Quambi
Foto Huize Quambi